
KEUKENGEHEIMEN van moeder Evthichía

De bewoners van Kreta, zo lazen we, zijn de gezondste mensen van Europa. Dat
blijken ze aan hun voeding te danken te hebben. Wat eten ze daar dan? wilden we
weten. En hoe maken ze het klaar? Redacteur Celia Egmond en fotografe Mirjam
Bleeker van 'Seasons' gingen op expeditie naar dit groene Griekse eiland en keken
in de keuken. Enthousiast keerden ze terug. Kreta is 'poli orea', prachtig én lekker.
We rijden dwars door Kreta, op zoek naar 'het geheim' van de Kretenzische
keuken. Onze eerste pleisterplaats is Zaros, midden op het eiland. Straks zullen
we daar koken met een echte Kretenzische kokkin. Tijdens de rit erheen kijken we
onze ogen uit. Het is hier ruig, puur, met gezonde lucht. En het is groen en
vruchtbaar. We hadden verwacht een dor, verschroeid landschap aan te treffen,
maar er is hier water genoeg. Het komt uit de bergen, wordt gebotteld en mèt en
zonder 'bubbels', in heel Griekenland verkocht. Het heuvelachtige land is
bezaaid met knoestige olijfbomen, hun grijsgroene blaadjes lichten op in de
middagzon. Daartussen pronkt overal het oranje van de sinaasappelbomen, zwaar
van de oogst. Soms zijn er hier wel drie oogsten per jaar, vertelt de gids ons,
zo vruchtbaar is de natuur hier.
We eten en slapen de eerste nacht in Hotel Idi, aan de voet van de hoogste
berg bij Zaros. Hoteleigenaar Yorgos wacht ons op, een trotse Kretenzer, kort
baardje, olijfkleurige huid. Hij is getrouwd met de Belgische Anne, zelf geen
minne kok, maar over haar Vlaamse kookkunsten rept hij nauwelijks. Zijn eigen
moeder, die kookt pas goed!
Een hele vis per persoon, knapperig en glimmend van de olijfolie.
Moeder Evi is, net als veel Griekse vrouwen, van top tot teen in het zwart
gehuld. Als er iemand is die weet wat lekker is, zegt Yorgos, is zij het wel.
Bescheiden wuift ze de complimenten van haar zoon weg. Over eten moet je niet
praten, dat moet je gewoon dóen. Voor ons welkomstdiner heeft ze verse vis
gehaald, bij de forellenkwekerij naast het hotel. Ze is ook al vroeg op pad
geweest om verse kruiden en wilde plantjes te zoeken, chorta. De chorta,
barstensvol vitaminen, wordt gekookt gegeten of rauw als salade, aangemaakt met
citroensap en olijfolie. Chorta is een van die Kretenzische geheimen. Het
determineren van de plantjes vergt kennis die van moeder op dochter wordt
doorgegeven. Evi zal, bij gebrek aan een dochter, haar geheime kennis straks
overdragen aan haar kleindochter.
MASSIEF OLIJFHOUT
De keuken van moeder Evi vult zich weldra met koortsachtige activiteit.
De
ene na de andere schaal komt op tafel. Aardappels, gepoft in de as van het
haardvuur, dat wordt gestookt met olijfhout. Het massieve olijfhout kan uren
smeulen. Gooi je 's avonds een blok op het vuur, dan weet je zeker dat je de
volgende ochtend nóg warmte hebt, zo langzaam brandt het. Nieuwsgierig proeven
we de chorta. Lichtbitter smaakt het, een beetje paardenbloembladachtig,
gedrenkt in olijfolie en citroensap. Evi serveert er brood bij dat boven het
haardvuur is geroosterd. Ze besprenkelt het met een beetje olijfolie en verse
oregano. Zoon Yorgos: "Mijn ouders gebruiken met z'n tweetjes 250 liter
olijfolie per jaar. Daar blijven ze gezond bij." Wij noteren geheim nummer
twee. Jonge mensen doen het volgens Yorgos wat rustiger aan met olijfolie, maar
een consumptie van 150 liter per gezin is heel normaal. "Onzin", vindt
hij trouwens die tendens om minder olie te gebruiken. "Vrouwen denken dat
ze dik worden van olijfolie. Dat is helemaal niet waar, want het is plantaardig
vet."
En dan komen de forellen van de grill: niet minder dan een hele vis per
persoon, knapperig en glimmend van, inderdaad, de olijfolie met citroensap.
Watertandend zien we toe hoe Yorgos de vis fileert. Maar hij is niet helemaal
tevreden: "De vis is te vers. We gebruiken meestal forel van twee dagen
oud. Dat vel blijft mooier op de grill." Wij vinden die dagverse vis, zo
uit de zee, juist adembenemend mooi. De gezondheid straalt ons tegemoet. Het
Kretenzische recept voor een lang leven wordt ons steeds duidelijker, zeker als
ook nog de lokale, lichte rode wijn op tafel komt. Vis moet zwemmen. Niet alleen
vis trouwens, alles op Kreta moet zwemmen: vis, vlees en gevogelte. Want
olijfolie en rode wijn, daar floreren de Kretenzers bij. De lokale wijn die
Yorgos schenkt, lijkt op geen enkele andere wijn die we ooit proefden. Hij is
jong en smakelijk. "Wij maken wijn om meteen te drinken", lacht hij.
"Onze wijn hoeft niet jaren bewaard te worden." Dat zou ook zeker niet
lukken, gezien het tempo waarin de glazen worden bijgeschonken. Yamas, proost!
GEZONDHEID TE KOOP
De volgende ochtend, na een ontbijt met omelet waarin Evi een restje chorta
heeft meegebakken, gaan we weer op pad. Richting Chania, aan de noordwestkant van
het eiland. Als we onderweg een marktje ontdekken, stoppen we en gaan op
inspectie. In alle kramen liggen de lokale lekkernijen hoog opgestapeld. Bij de
plaatselijke kaasboer staan glazen potten met boter, verse kazen in papier,
brokkelige gerookte schapenkazen en grote bakken met feta. De aroma's prikkelen
onze neus. We ontdekken een sterk smakende kaas in olie, die hier 'Graviera'
heet. Waar kennen we die naam van? Juist: het is Kretenzische Gruyère! Een bos
bruine stokken van ruim een meter hoog prijken in een bak. Het zijn de grootste
kaneelstokken die we ooit hebben gezien. Bij de kraam van de slager kijkt een
varkenskop op de toonbank ons grijnzend aan, gekookt is dat een specialiteit op
het eiland. De hazen die er boven hangen, hebben hun bonten slofjes nog aan. In
de kraam ernaast worden groenten en gedroogde kruiden verkocht: oregano, wilde
tijm, salie, munt, marjolein, rozemarijn, basilicum en ook saffraan, sesam en
mosterdzaad. Die laatste drie worden vaak gebruikt in de Kretenzische keuken.
Zouden het de natuurlijke anti-oxidanten in de wilde kruiden zijn, die de
bewoners van dit eiland zo gezond maken?
We zijn hongerig geworden van de markt en strijken neer in een restaurant.
"Ella, ella, kom, kom," worden we gastvrij gewenkt, als we onze
belangstelling voor het Kretenzische voedsel laten blijken. We mogen afdalen
naar het domein van de familie, de keuken. Daar krioelt een complete familie
door elkaar: vader Nikos, moeder Evthichía en zoons Yorgos en Panagiotis
bereiden een keur aan gerechten. Je moet je hier schuifelend, met gevaar voor
eigen leven, over de keukenvloer bewegen; die is spiegelglad van de olijfolie.
De keuken zelf is opvallend eenvoudig ingericht: een fornuis, houtskoolgrill,
oven en een lang roestvrijstalen werkblad. En een fikse plantengieter met
olijfolie natuurlijk, want die staat op elk Grieks aanrecht. Knoflook of potjes
met kruiden zien we bijna niet, onder het bewind van moeder Evthichía wordt
vooral oregano, tijm en marjolein gebruikt.
DE ZONDAGSE JURK
Als de fotografe haar camera tevoorschijn haalt, ontstaat er enige beroering.
Doen we iets verkeerd, schrikken we? Maar nee, het ligt niet aan ons. Moeder
heeft haar werkkleren aan, en zo wil ze niet op de foto. Vijf minuten later is
ze terug, in zondagse jurk met een mooie barnstenen ketting. "Toen ik me
verloofde, droeg ik een jurk in dezelfde kleur en die dag kreeg ik van mijn man
deze ketting", vertelt ze met een lieve glimlach richting vader Nikos. Ze
is helemaal klaar om te poseren. Terwijl de camera klikt, geeft ze trots haar
keukengeheimen prijs. Hoe ze haar revithósoupa (kikkererwtensoep) met ui bindt
(we moeten terstond een hapje proeven). Welke kruiden ze gebruikt voor de
yemistá (gevulde paprika, tomaat, aubergine en courgette). Intussen schuifelt
ze door de gladde keuken, hier en daar een deksel oplichtend, proevend, kruiden
toevoegend. En met luide stem haar zoons aanvoerend.
MANNENWERK
En die zoons weten van wanten. De jongste, Panagiotis, ontfermt zich over de
vis. Terwijl zijn vader waakt over de kooltjes, bereidt hij een vissausje van
olijfolie, geklopt met citroensap en wat oregano. De vis wordt straks afgemaakt
met een garnituur van fijngehakte rauwe ui en peterselie. Nu hij op de grill
ligt, wordt hij nog een paar keer bestreken met een kwast met olijfolie en
dan doet het vuur de rest. Moeder Evi komt uit een traditionele vissersfamilie,
die weet hoe vis moet smaken. "Mijn vader had een heel klein open
bootje", vertelt ze. "Soms voer hij naar de territoriale wateren van
Libië, twee dagen was hij dan onderweg. Je mocht daar helemaal niet komen, maar
omdat Libiërs geen vissers zijn, zat daar nog de beste en grootste vis.
Ongevaarlijk was het niet, met dat bootje op de open zee, maar we leefden er
goed van."
Oudste zoon Yorgos is ondertussen druk met de zigariastó, borst en bout van
lam dat urenlang in rode wijn heeft staan stoven. "Een hele ui erbij
absorbeert de sterke schapensmaak", legt hij uit, terwijl hij vast een
stukje snoept. Stiekem, want als zijn moeder dat ziet, krijgt hij de wind van
voren! De keuken vult zich met de heerlijke geuren van grill, oven en fornuis.
We watertanden. Wat is dat toch hier op Kreta, we hebben nog maar amper het
ontbijt achter de kiezen of we krijgen alweer honger bij het zien van al die
lokale heerlijkheden. Hopelijk klopt het dat je niet dik wordt van olijfolie.
ZANGWEDSTRIJD
Na een copieuze en gezonde lunch rijden we door, langs de noordkant van het
eiland. De kustweg voert hoog langs een schitterende baai, met in de diepte twee
eilandjes. Een van de Kretenzische legenden wil, dat op die eilanden ooit een
zangwedstrijd is gehouden tussen de Sirenen en de Muzen. Uit frustratie en woede
om hun verlies rukten de Sirenen hun vleugels af en gooiden die hoog in de lucht.
Ze kwamen neer op een rots, waar een plaatsje ligt dat 'Aptera' heet, 'zonder vleugels' in
het Grieks. Later is op die plek een kasteel gebouwd, dat er nog steeds staat.
Zo'n legende geeft een plek toch iets extra's. We kronkelen steeds hoger de ruige
bergen in, een - voor mij letterlijk - adembenemende tocht over een smalle weg
langs het ravijn. De spanning prikt op mijn huid, niet naar beneden kijken.
Uiteindelijk komen we aan in Milia, aan de westkant van het eiland. Dit is het
groene einde van de wereld. Ongerepte natuur, woeste bergen en een paar kleine
stenen huisjes, ons onderkomen voor de nacht. Afgezien van een ruisend beekje is
het hier doodstil, gastheer Tassos heeft onze auto dan ook al van ver horen
aankomen. Hij staat ons op te wachten en zijn oranjerode jas steekt fel af tegen
het hem omringende groen.
KAMPVUURGEVOEL
Als we een tochtje over het terrein hebben gemaakt en we elk een eigen huisje
krijgen toegewezen, is het inmiddels schemerig geworden. Een ouderwets
kampvuurgevoel maakt zich van ons meester. In Milia is géén elektriciteit;
energie wordt maar een paar uur per dag geleverd door een windmolen boven op de
berg. Dat wordt dus eten bij kaarslicht. Stromend water komt, ijskoud en
kristalhelder, direct uit de nabijgelegen bron. Wie warm wil douchen, kan dat
pas doen als het houtvuur buiten onder de ketel lang genoeg heeft gebrand. De
kamer zelf, ingericht als een rustiek stilleven met robuuste antieke meubels en
traditioneel geweven kleurige kleden, wordt verwarmd door een klein
houtkacheltje. Straks zal iemand alle kamers langs gaan en de kachels voor ons
aansteken, we hoeven er dan voor het slapen gaan alleen nog maar een extra blok
hout op te leggen. Knus!
Even later zitten we met z'n allen om het haardvuur in de eetzaal. Die is
nog maar net klaar, maar ziet er met zijn ruwe stenen muren, massief houten
balken en blauwgeschilderde houten kozijnen uit alsof hij er altijd al was. "Dat
komt omdat we met natuurlijke materialen uit de streek hebben gebouwd", legt
Tassos uit. Milia is een ecologisch project en volledig zelfvoorzienend. Met
steun van de Europese Gemeenschap is hier een groep idealistische mensen
halverwege de jaren tachtig aan de slag gegaan om een biologisch-dynamisch
project van de grond te krijgen. De twaalf gastenhuisjes staan er voor wat extra
inkomsten, want een vetpot is het niet, dit agrarische project. Het is er wel
heerlijk, zeker voor ons stedelingen. Wat er hier wordt gegeten, komt allemaal
van het eigen land: kaas, honing, groenten, fruit, lams- en schapenvlees. Ook de
wijn, je moet even aan de smaak wennen, is afkomstig van eigen pluk. Alles is
hier puur, eerlijk en gezond. Tassos vertelt gedreven over zijn project, in goed
Engels en met een oprechte blik in zijn bruine ogen. Hij lééft voor Milia.
's Avonds, na de samen bereide stoofpot van aardappels, kastanjes, uien,
tomaten en heerlijk sappig lamsvlees, realiseren we ons hoe onwennig het is om
niets te doen. Hier kunnen we niet anders. Bij Tassos is geen televisie, geen
radio, alleen het geluid van een knapperend haardvuur. Verder is het stil. We
verbazen ons over hoeveel licht één klein kaarsje wel niet geeft in het
donker. Buiten miauwt af en toe een wilde kat onder de immense sterrenhemel en
ruist de wind door de bomen. We worden er nederig van, van deze eenvoud. En erg
tevreden, want we weten weer dat geluk bestaat uit een volle buik en warme
voeten.
Uit: Seasons, maart/april 2001; tekst: Celia Egmond
Terug
|